091.
Bijbelstudie over de
FARAO EN AVIMELECH - FAR’O
V’AVIMELECH
!lmybav virp
Als inleiding tot deze
Bijbelstudie lezen we drie passages uit het leven van Av’raham [Abraham]
en Sara en hun zoon Yitz’chaq [Isaak] en zijn vrouw Riv’qa
[Rebekka], want degenen onder ons die trouw het wekelijkse Joodse leesrooster
volgen, in het Hebreeuws ivb>h
t>rp Parashat haSh’vua genaamd, zullen wel ongetwijfeld
opgemerkt hebben dat deze drie passages in de najaarslezingen uit het boek ty>arb B’reshit [Genesis]
op het eerste gezicht verdacht veel op elkaar lijken, althans als men ze
volgens het rooster afzonderlijk leest. Als we ze echter naast elkaar leggen en
met elkaar vergelijken zien we dat het toch wel heel verschillende
gebeurtenissen waren. Laten we ze even achter elkaar lezen. De eerste tekst
vinden wij in de 2e aliya van de Parasha !l !l Lech Lecha (ty>arb B’reshit [Genesis]
12:10-
Av’ram en Sarai bij de Farao [Genesis 12:10-20]
In vers 10 van hoofdstuk 12
lezen we dat Av’ram met Sarai naar
Egypte reisde, omdat er een hongersnood in het land K’na’an was
uitgebroken. Dit was Av’rams eerste fout. Hij had nooit het land
waar G’d hem naar toe had gezonden moeten verlaten. Hij had erop moeten
vertrouwen dat de Eeuwige geen half werk doet en dat Hij Av’ram zeer
zeker niet naar K‘na’an gestuurd heeft om hem daar van de
honger te laten omkomen. Maar in plaats van op G’d te vertrouwen dat Hij hem en
de zijnen in het beloofde land van voedsel zou voorzien nam Av’ram
liever het zekere voor het onzekere en verlangde naar de vleespotten in Egypte,
iets waar een groot deel van zijn nakomelingen zich vele eeuwen later ook
schuldig aan zou maken op hun tocht door de woestijn. Maar daar staat gelukkig
weer tegenover dat Av’ram zich door de hongersnood in elk geval
niet heeft laten verleiden om terug te keren naar het land, vanwaar hij gekomen
was en er zelfs niet eens in de richting ervan ging. Het land van zijn geboorte
lag namelijk noordoostelijk van K’na’an, maar hij verkoos om naar
Egypte te gaan, dat zuidwestelijk lag, dus precies in de tegenovergestelde
richting. Maar toch! Zoals gezegd was het zeer zeker niet de bedoeling dat Av’ram en
zijn vrouw überhaupt het land dat de Eeuwige hen aanwees om daar te wonen
zouden verlaten. Zelfs niet door een hongersnood, want stel dat Av’ram en Sarai
elkaar op dat moment herinnerd zouden hebben aan G’ds beloften om hen te
zegenen en tot een groot volk te maken, zouden ze dan echt naar Egypte gegaan
zijn? Ik denk van niet! Als ze op de Eeuwige hadden vertrouwd dan hadden ze hun
nood in gebed kunnen brengen en Hem om hulp kunnen vragen, en als ze toch wel
met de gedachte speelden om naar Egypte te gaan, dan hadden ze Hem op zijn
minst om raad kunnen vragen of dit wel verstandig zou zijn of niet. Zij hadden
Hem de vraag kunnen voorleggen: “Adonai, zoals U weet is er hongersnood
in K’na’an en als wij hier blijven dreigen wij van de honger te
sterven tenzij U ingrijpt. In Egypte is echter wel voedsel, maar wat wilt U dat
we zullen doen? Hier in K’na’an blijven of naar Egypte gaan met
het risico dat de Farao Av’ram zal doden om met Sarai te
kunnen trouwen?“ Dat hadden ze best aan de Eeuwige kunnen vragen en ik ben
ervan overtuigd dat Hij hen zeer zeker geantwoord zou hebben. Toch helaas deden
ze dat niet en namen het lot liever in eigen hand en toen zij het Beloofde Land
verlieten was Av’ram ongeveer 76 jaar oud en zijn vrouw Sarai was
ongeveer 66. Toen zij het heidense Egypte binnengingen keek Av’ram naar
zijn mooie vrouw en zei tegen haar: “Ik
weet heel goed dat je een aantrekkelijke vrouw bent. Wanneer de Egyptenaren je
zien, zullen ze zeggen: Dat is zijn vrouw. Ze zullen mij vermoorden, maar jou
in leven laten. Zeg maar dat je mijn zuster bent. Dan zullen ze me niet naar
het leven staan en me dankzij jou goed behandelen.” Hij vroeg haar niet
echt om te liegen, want het was een halve waarheid. Av’ram en Sarai
hadden dezelfde vader maar verschillende moeders, dus Sarai was
zijn halfzus. Ze zou dus maar een halve leugen moeten vertellen, alles om Av’rams huid
te redden! Av’ram wist dat Egypte een plek was van
wellust, afgoderij, verwarring - toch was hij klaar om daar naar toe te gaan en
zijn familie aan extreme risico’s bloot te stellen. Een heel belangrijk detail
is hierbij namelijk dat Av’ram in Egypte en later ook in Gerar als
vreemdeling verkeerde. Hij was daar dus geen gast die even langs kwam of op
doorreis was, maar was van plan om daar een tijdje te blijven, in elk geval
zolang de hongersnood in het buurland duurde. Een gast verblijft ergens voor
een niet al te lange tijd, maar bij een vreemdeling ligt dat anders. De
gastvrijheid staat overal in het Midden-Oosten weliswaar vanouds op een hoog
peil, maar bij vreemdelingen die ongevraagd zomaar rondtrokken en dus geen gasten
waren lag dat toch wel anders. Zo’n nomadenbestaan was in die tijd zeer
riskant. Vandaar ook dat er allerlei foefjes waren om de eigen veiligheid te
vergroten. Eén van die dingen was om niet te laten merken wie je vrouw was, want
als iemand de vrouw van zo een vreemdeling wilde hebben, zou hij hem natuurlijk
uit de weg ruimen. Av’ram voelde dit al aankomen toen ze in
Egypte aankwamen, want al gauw kwamen de Egyptenaren die zijn vrouw zagen onder
de indruk van haar mooie uiterlijk en het nieuws over Sarai’s
grote schoonheid ging als een lopend vuurtje rond. Hij was echt bang dat de Farao hem
zal doden, om zo met zijn mooie vrouw Sarai te
kunnen trouwen. En wat deed Av’ram? Hij was zo vol vrees, dat hij
kennelijk helemaal vergat welke belofte G’d hem gegeven heeft. Hij vroeg Sarai om te
zeggen dat zij zijn zus is, in plaats van zijn vrouw. Of Av’rams
vrees terecht was, valt te bezien, maar feit is dat hij zich bij voorbaat uit
angst liet leiden en daarbij zijn huwelijk op het spel zette, met als hoofddoel
om zelf in leven te blijven. Dit was absolute lafheid en absoluut gebrek aan
geloof. Av’ram onderwierp zijn leven aan de
bescherming van zijn vrouw - niet die van G’d - volgens zijn eigen, menselijke
strategie. Wat een schaamtevolle daad zonder geloof! Sarai erkende
Av’ram gedurende haar hele leven als haar heer. De keerzijde van
de munt is dat Av’ram als echtgenoot van Sarai ook
verplicht was om zich als heer te gedragen. Als we op dit punt het verhaal
bezien, blijkt dat Av’ram hier heel wat steken heeft laten
vallen. De teksten die wij als inleiding tot deze studie hebben gelezen maken
ons dat duidelijk. Het zijn de momenten dat hij Sarai moest
afstaan aan een andere man. Zowel in Egypte, als een 24 jaar later in Gerar,
raakt hij zijn vrouw kwijt aan de plaatselijke heersers, respectievelijk Farao en Avimelech. Deze
grote man van geloof was bereid om zijn vrouw van zich af te laten nemen en
haar in een harem te plaatsen waar ze uiteraard zou worden onteerd door de Farao.
Begrijpt u wel wat hier gebeurde? Sarai ging echt niet alleen maar bij
de Farao om daar een kopje thee met hem te drinken, maar om met hem
te trouwen! Daar staat men vaak niet zo bij stil, maar ze was echt met hem
getrouwd, want de Farao heeft in vers 19 tegen Av’ram zelf gezegd
dat hij haar tot vrouw heeft genomen en hij betaalde aan hem als vermeende broer
van de bruid een grote bruidsschat voor Sarai:
schapen en geiten, runderen, ezels, ezelinnen en kamelen slaven en slavinnen,
waaronder ook Hagar bij wie Av’ram later zijn eerste zoon zou
verwekken. Av’ram werd weliswaar van de ene op de andere
dag rijk, maar voor welke prijs? Farao had Sarai in
zijn harem opgenomen en had ook daadwerkelijk met haar geslapen. Ik vraag me
dus af wat er door Sarai heen moet zijn gegaan toen ze van haar
man werd weggehaald en of Av’ram in die bewuste nacht überhaupt
een oog dicht gekregen heeft, want hoe zou hij kunnen slapen terwijl hij weet
dat zijn vrouw in het bed van een andere man is? Beiden zouden zich moeten schamen, want gezien alle
beloften die ze van de Eeuwige hadden gekregen was er toch echt geen excuus
voor hun gedrag. Weliswaar heeft Adonai later wel ingegrepen zodat Sarai uiteindelijk
weer bij Av’ram terugkwam, maar de vraag blijft: hoe
kon zo een man van geloof dit laten gebeuren? Als Av’ram op
G’d had vertrouwd en tegenover de Farao moedig had verklaard “Deze
vrouw is mijn echtgenote!” dan zou de Eeuwige hem en Sarai zeer
zeker hebben beschermd, ook al was hun aanwezigheid in Egypte een daad van
ongehoorzaamheid, want er staat geschreven:
“Als wij Hem ontrouw zijn, blijft Hij ons trouw, want Zichzelf verloochenen kan
Hij niet!” (2 Timotheus 2:13). G’d is trouw zelfs als wij dat niet zijn. Op
het moment dat Av’ram zijn leven aan de Eeuwige toewijdde
had G’d een plan voor hem en Hij stond het niet toe dat het falen van Zijn
uitverkorene Zijn eeuwige doel voor Av’rams
leven zou dwarsbomen. De Eeuwige had hem destijds beloofd: “Ik zal je schild
zijn!” en daarom kwam Hij in deze situatie tussenbeide om Zijn belofte waar te
maken. G’d sloeg de Farao en zijn huis met zware plagen en toen pas ontdekte de Farao dat Av’ram en Sara hem
bedrogen hebben. Hij realiseerde zich was er was gebeurd. We weten niet of de
Eeuwige het Zelf aan hem heeft geopenbaard, maar toen hij ontdekte dat zij was
getrouwd, berispte hij Av’ram en zei “Wat hebt u me aangedaan! Waarom hebt u me niet verteld dat zij uw
vrouw was? Alleen omdat u gezegd hebt dat zij uw zuster was, heb ik haar tot
vrouw genomen. Maar ze is úw vrouw, neem haar mee en verdwijn! Hij gaf enige
mannen bevel hem het land uit te zetten, samen met zijn vrouw en met al zijn
bezittingen.” (Groot
Nieuws Bijbel).
Av’raham en Sara bij Avimelech [Genesis 20:1-18]
Ongeveer 24 jaar later was Av’ram met Sarai naar
het zuiden gegaan, sloeg kamp op tussen Qadesh en Shur en
ging in Gerar wonen in het land van de Filistijnen. Er
wordt ons niet gezegd om welke reden zij daarheen gingen, maar ondertussen
heeft er wel een grote verandering plaatsgevonden in hun leven. Zij hebben
allebei een nieuwe belofte van de Eeuwige gekregen, namelijk dat zij een zoon
zouden krijgen met een groot nageslacht en zij ontvingen zelfs beiden een
nieuwe naam. Av’ram heette voortaan Av’raham, want
hij zou de vader zijn van vele volken, en Sarai kreeg
de naam Sara hetgeen vorstin betekent. Toch ondanks deze prachtige
belofte wordt ons in Genesis 20 verteld dat Av’raham en Sara ook
hier opnieuw dezelfde fout maakten als toen bij de Farao, maar
nu bij Avimelech, de koning van Gerar, want zij deden het weer. Sara was
akkoord gegaan met het voorstel van Av’raham om
haar genegenheid ten opzichte van hem te laten zien door zich ook hier weer uit
te geven als zijn zus. Ze hield zich ook aan deze afspraak. Het lijkt wel een
herhaling van de eerdere belevenis van Av’ram en Sarai in
Egypte. Av’raham was inmiddels al 99 jaar oud en Sara was
89. Door de jaren heen hadden zij G’ds trouw gezien in elk deel van hun leven.
Eigenlijk zou je toch denken dat zij allebei hun fout die ze destijds in Egypte
hadden gemaakt zouden berouwen en dat ze in die 24 jaar daarna geleerd hadden
om volledig op de Eeuwige te vertrouwen? Zij hadden in al deze jaren immers
ontelbare keren G’ds kracht, Zijn leiderschap en bemiddeling in alle facetten
van hun leven aan het werk gezien. Waarom dan toch weer die oude truc? Wel, er
was vlak voordat zij naar Gerar gingen natuurlijk wel het een
en ander gebeurd. In het vorige hoofdstuk staat namelijk wat Lot en de
gasten van Lot in de stad S’dom [Sodom] was overkomen, namelijk
dat alle mannen van S’dom gekomen waren om die gasten te
verkrachten. Menselijk gezien was de angst van Av’raham dat
hij omwille van Sara vermoord zou worden dus niet ongegrond, want er kon van
alles gebeuren in die tijd, dus dat je onderdak zocht in een stad en dat je dan
zó behandeld werd. Vanuit vers 13 is af te leiden dat Av’raham zich
terdege bewust is geweest van zijn kwetsbare positie als rondtrekkende
vreemdeling en hij nam dus het zekere voor het onzekere, want hoe konden Av’raham en Sara nu
weten of het in Gerar niet net zo erg zou zijn als in S’dom? Misschien
was het daar weliswaar iets minder erg en zouden ze Av’raham niet
verkrachten zoals men in S’dom deed, maar misschien wel
vermoorden en van zijn vrouw beroven? Oosterse heersers in die tijd waren echt
de baas over alles en de gewone mensen waren volledig aan hun wensen
onderworpen. Als ze een mooie vrouw in hun harem wilden hebben, moest dat
gebeuren, ook als zij getrouwd was. Dan werd de echtgenoot simpelweg vermoord
en het probleem was opgelost. Dat had in Gerar ook
het geval kunnen zijn en vanuit die achtergrond gezien kunnen we ons de angst
van Av’raham wel indenken. Als je daarbij het gegeven neemt dat K’na’an
in die tijd een decadent gebied was, kun je jezelf iets voorstellen bij de zorg
van Av’raham om zijn leven vanwege zijn mooie vrouw Sara. Yitz’chaq heeft
later diezelfde vrees (26:7) ten aanzien van Riv’qa. Vergeten
was de schande blijkbaar die Av’raham de Eeuwige in Egypte gaf door zijn
gedrag, want in angst maakt men vaak opnieuw dezelfde fouten. Hij vroeg aan Sara om tegen iedereen zeggen dat hij haar broer is en
zelf zei hij over zijn
vrouw Sara dat zij zijn zuster was. Hij was dus, na 24 jaar, op dat
punt nog steeds geen held! En inderdaad gebeurde waar Av’raham en Sara al
bang voor waren, want overal waar ze kwam ging haar reputatie van schoonheid
als een lopend vuurtje rond ondanks haar hoge leeftijd, want zij was inmiddels al
89 jaar oud! Ook de Filistijnse koning Avimelech, die in
Gerar over dat land regeerde, had zijn ogen op de mooie Sara
gericht en wilde haar maar al te graag in zijn harem hebben! Toen Avimelech vernam
dat Sara niet getrouwd was maar slechts samen met haar broer naar Gerar
gekomen was liet hij haar naar zijn paleis overbrengen. Wederom bracht Av’raham door
zijn leugen en door dit toe te laten zijn vrouw en zelfs de toekomst van Israël
daarmee in gevaar. Avimelech liet Sara dus
ophalen en zo werd zij dus voor de tweede keer in de harem van een heidense
heerser opgenomen net als toen bij de Farao. Maar
het had eigenlijk nog veel erger kunnen zijn dan bij de Farao, want
in hoofdstuk 18 staat immers dat G’d aan Av’raham een
zoon beloofd had via Sara! Uitgerekend in het zelfde jaar waarin Av’raham door
G’d op de hoogte gesteld werd van de spoedige komst van Sara’s
zoon, stond hij zijn vrouw af aan Avimelech. Onbegrijpelijk! Av’raham zette
daarmee dus niet alleen maar zijn eigen huwelijk onder druk, maar bracht ook de
belofte van G’d in gevaar, want hij liet het toe dat Sara naar
het paleis van koning Avimelech gebracht werd om deel uit te maken van
zijn harem. Als Avimelech vervolgens seksuele gemeenschap gehad
zou hebben met Sara, wat uiteraard zijn goed recht omdat hij ervan uitging dat
zij nog niet getrouwd was, dan zou de belofte gevaar hebben gelopen. Als Sara een
tijd later een zoon kreeg dan zou het een vraag gebleven zijn van welke vader
het kind zou zijn geweest. Die stokoude Av’raham (hij
was inmiddels al 99 jaar oud) of Avimelech? Dat kon de Eeuwige natuurlijk
niet toelaten! Geen wonder dus dat G’d zo abrupt ingreep in Gerar om Sara
daarvoor te behoeden. Daarom wordt er in vers 4 ook zo nadrukkelijk verteld dat
Avimelech nog geen gemeenschap met Sara heeft gehad! Maar hoe zou het
afgelopen zijn als de Eeuwige niet zou hebben ingegrepen? Dan zou er voorgoed
een smet op de afkomst van Yitz’chaq liggen met alle gevolgen van dien.
Als we de gebeurtenissen in Egypte en in Gerar met
elkaar vergelijken, dan moeten wij ervan uitgaan dat Sara
destijds in de harem van Farao de seksuele gemeenschap met
haar nieuwe man helaas niet bespaard is gebleven, maar bij Avimelech is
dit in ieder geval niet gebeurd. Gelukkig niet! Er is namelijk iets gebeurd dat
dit verhinderde. Uit het feit dat Av’raham later voor de genezing van Avimelech en
zijn vrouwen moest bidden kunnen we afleiden dat ze een of andere ziekte hebben
gekregen die voor de koning zelfs dodelijk zou aflopen, want de Eeuwige
verscheen in die bewuste nacht in een droom aan hem en zei tegen hem: “U bent ten dode opgeschreven, want de
vrouw, die u bij u hebt genomen, is een getrouwde vrouw!” (vers
Yitz’chaq en Riv’qa bij Avimelech (Genesis 26:1-11)
In B’reshit 26
overkomt Yitz’chaq [Isaak] en zijn vrouw weer
gedeeltelijk hetzelfde als destijds zijn ouders, nota bene ook met Avimelech en zelfs
ook weer in de zelfde plaats Gerar. Of het dezelfde Avimelech is
als in het voorgaande verhaal is niet bekend. Persoonlijk denk ik van niet,
want als het dezelfde persoon geweest zou zijn en dan ook nog voor de tweede
keer het slachtoffer was geworden van dezelfde zwendel, dan zou hij dat in zijn
reactie wel genoemd hebben denk ik. Bovendien kan hij sowieso niet dezelfde uit
Av’rahams dagen zijn, want er waren sindsdien meer dan honderd jaren
verlopen. Het zou hooguit zijn zoon geweest kunnen zijn en in dat geval was er
dan van beide kanten sprake van een herhaling in de tweede generatie. In elk
geval schijnt Avimelech, hetgeen ‘mijn vader is koning’
betekent, geen gewone naam van de Filistijnse koningen geweest te zijn, maar
eerder een soort ceremoniële naam of zelfs een titel, ongeveer vergelijkbaar
met Caesar bij de Romeinse keizers. Het verhaal begint opnieuw met een
hongersnood in het land K’na’an en Yitz’chaq zag
zich evenals destijds zijn vader genoodzaakt om tijdelijk het Beloofde Land te
verlaten en zijn heil elders te zoeken. Samen met zijn mooie vrouw Riv’qa [Rebekka]
vertrok hij naar Gerar in het land der Filistijnen, waar
koning Avimelech regeerde. Daar verscheen de Eeuwige aan hem om hem te
zeggen dat hij niet verder moest trekken naar Egypte, maar voorlopig hier moet
blijven wonen. De Eeuwige gaf Yitz’chaq ook de belofte dat Hij hem
terzijde zou staan en hem zou zegenen, dat Hij dit hele gebied aan hem en zijn
nakomelingen zou geven en dat Hij zo de eed gestand zou doen die Hij zijn vader
Av’raham had gezworen. Zo kwam het dat Yitz’chaq zich
in Gerar vestigde. Toen de mannen van Gerar vroegen
wie Riv’qa was, zei hij dat ze zijn zuster was. Hij durfde hen niet te
zeggen dat ze zijn vrouw was, want Riv’qa was namelijk erg knap en hij
was bang dat men hem zou vermoorden om met haar te kunnen trouwen. De topos is
dus weer hetzelfde als in de beide eerste verhalen: de aartsvader was bevreesd
dat zijn mooie vrouw zou worden geroofd en hij zou worden gedood en hij zei
daarom dat de vrouw zijn zuster is. Yitz’chaq loog
dus over Riv’qa evenals zijn vader Av’raham loog
over Sara. Het is onverklaarbaar hoe beide deze grote mannen van G’d
zich schuldig konden maken aan zo vreemdsoortige veinzerij, waardoor zij niet
alleen hun eigen goede naam en de goede naam van hun vrouwen in de waagschaal
stelden, maar ook de goede naam van de Eeuwige in wiens dienst zij stonden.
Maar de waarheid komt toch altijd aan het licht, want toen zij daar al geruime
tijd woonden, zag Avimelech, de koning van de Filistijnen, tot zijn
verbazing vanuit zijn venster iets waaruit hij kon afleiden Yitz’chaq en Riv’qa meer
dan alleen maar broer en zus waren. Maar wat deden ze dan precies? De alom vertrouwde
NBG-vertaling zegt dat Yitz’chaq aan het minnekozen was met zijn
vrouw Riv’qa. In de Nieuwe Bijbelvertaling alsook in de
Willibrord-vertaling staat dat Yitz’chaq zijn vrouw Riv’qa aan het
liefkozen was en in de Groot Nieuws Bijbel lezen we ronduit dat Yitz’chaq aan
het vrijen was met Riv’qa! Geen van deze vertaling geeft echter de ware
toedracht. Letterlijk vertaald staat er namelijk in de Hebreeuwse grondtekst: “Hij zag Yitz’chaq
lachende met Riv’qa!” Het is hetzelfde woord qxj tzachaq
[lachen], waaraan zijn eigen naam qxjy
Yitz’chaq [hij die lacht] is ontleend. U zult nu wel vragen: “Is dat
alles???” Waren ze alleen maar met elkaar aan het lachen? Ja, dat was alles!
Niet meer en niet minder! Ze waren heus niet vlak voor het raam van de koning
aan het vrijen, want zo iets doe je niet in het openbaar, maar achter gesloten
deuren. Hoe kon de koning dan weten dat ze met elkaar getrouwd waren als hij ze
alleen maar zag lachen en niet eens zoenen. Wel, dan moet u zich even
verplaatsen naar het Middenoosten. Kunt u zich voorstellen dat in zo een streng
islamitisch land een man en een vrouw elkaar toelachen als ze niet getrouwd
zijn? Ik dacht het niet! Dan zouden ze daar zeker problemen mee krijgen! Ik
neem aan dat het toen in het land der Filistijnen net zo aan toe ging en dus
ging men er automatisch van uit dat ze met elkaar getrouwd moesten zijn als ze
elkaar toelachten. Avimelech beschuldigde Yitz’chaq
daarom van bedrog en toonde hem aan hoe onzinnig zijn verontschuldiging was, en
welke kwade gevolgen er uit hadden kunnen voortkomen. Hij zei: “Het had weinig gescheeld of iemand uit ons
volk had met uw vrouw geslapen. Door uw toedoen zouden wij schuldig zijn!” Oeps!
Dat moet zeer pijnlijk voor Yitz’chaq en Riv’qa
geweest zijn en ze zullen zich wel diep geschaamd hebben lijkt mij. Maar om hem
nu te bewijzen hoe ongegrond en onrechtvaardig Yitz’chaqs
verdenking van hen was, nam Avimelech hem en zijn gezin onder zijn
bijzondere bescherming. Hij vaardigde een bevel uit voor het hele volk, waarin
stond: “Wie deze man of zijn vrouw ook
maar een haar krenkt, zal ter dood gebracht worden!”
David en Batsheva (2 Sam 11:2-27)
Dat de vrees van Av’raham en Yitz’chaq niet
helemaal ongegrond was blijkt uit het volgende verhaal van een zwarte bladzijde
uit het leven van koning David: “Op een keer stond hij aan het eind van de middag op van zijn rustbed
en liep wat heen en weer over het dak van het paleis. Beneden zag hij een vrouw
die aan het baden was. Ze was heel mooi om te zien. Hij liet uitzoeken wie ze
was, en men zei hem: ‘Dat is Batsheva, de dochter van Eliyam, de vrouw van de Chetiet Uriya.’
David liet haar bij zich komen en sliep met haar. (De voorgeschreven periode
van onthouding na haar onreinheid was juist verstreken.) Daarna ging ze terug
naar huis. Enige tijd later merkte ze dat ze zwanger was. Ze liet dat aan David
berichten. - De volgende morgen schreef David Yoav een
brief, die hij aan Uriya meegaf. In de brief stond: ‘Stel Uriya op waar het hevigst wordt gevochten en geef hem geen rugdekking,
opdat hij wordt getroffen en sneuvelt.’ Yoav
onderzocht waar de verdediging het sterkst was, en stelde Uriya juist daar op. De verdedigers van de stad deden een uitval naar Yoav. Er vielen slachtoffers onder de soldaten van David, en ook Uriya vond de dood. - De vrouw van Uriya kreeg bericht dat haar man was gesneuveld, en ze treurde om haar
echtgenoot. Toen de rouwtijd voorbij was, nam David haar
bij zich aan het hof. Zij werd zijn vrouw en baarde hem een zoon. Naar het
oordeel van de Eeuwige was het wel degelijk slecht wat David had gedaan.” (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 11:2-5, 14-17 en 26-27). David zag Batsheva dus
in het Mikwe [ritueel reinigingsbad] nadat zij nidda
[ongesteld] was en begeerde haar met als gevolg dat hij haar echtgenoot uit de
weg liet ruimen. Het valt mij overigens op dat de eerst geciteerde drie versies
van het verhaal over de Farao en Avimelech, die
alle drie wel goed afliepen, voor zover ik weet in geen enkele kinderbijbel
voorkomt, maar dat juist dit tegenovergestelde verhaal, waarin koning David, een
man G’ds waarvan je zoiets eigenlijk niet zou verwachten, daadwerkelijk de echtgenoot
van de mooie Batsheva via een heel gemene manier liet
vermoorden om met de weduwe te kunnen trouwen in geen enkele kinderbijbel
ontbreekt. David deed dus inderdaad precies datgene
waar Av’raham en Yitz’chaq destijds bang voor waren en wat
ik hierbij gewoon niet snap is het feit dat David, een
man van G’d, zich hieraan schuldig kon maken terwijl hij als gelovige Jood de
bovengenoemde verhalen maar al te goed moest kennen. Dit verhaal geeft evenals
de in deze studie behandelde zwarte bladzijden uit de levens van onze
aartsvaders aan dat ook de grote geloofshelden niet op een voetstuk gezet mogen
worden, want ook zij waren niet volmaakt en hebben de Eeuwige maar al te vaak
teleurgesteld. De enige die wij ons in elk opzicht ten voorbeeld mogen nemen is
Yeshua haMashiach zelf, want er staat
geschreven: “Wie zegt dat hij in G’d
blijft, moet leven zoals Yeshua heeft geleefd!” (a ]nxvy Yochanan
alef [1 Johannes] 2:6, Groot Nieuws Bijbel) of zoals het in de
NBG-vertaling staat: “Wie zegt, dat hij
in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft!”).
Conclusie
Av’raham staat
zowel in de synagoge alsook in de kerk bekend als een man van geloof. Inderdaad
beschrijft ook Sha’ul [Paulus] hem als een voorbeeld
van geloof: “Van Av’raham wordt gezegd: Hij vertrouwde op G’d, en dat werd hem als een daad
van gerechtigheid toegerekend!” (Galaten 3:6) “En dus wordt iedereen die gelooft samen met Av’raham, de gelovige, gezegend!” (vers 9)”. G’d was verschenen
aan Av’ram en gaf hem persoonlijk van face to face de heerlijke
belofte dat Hijzelf een Schild voor hem te zijn en zei tegen hem: “Wees niet bang, Av’ram: Ikzelf zal jou als een Schild beschermen!” (ty>arb B’reshit [Genesis]
15:1) In de Amida [het staande gebed] zeggen wij om deze reden dan ook de b’racha: “Baruch Ata Adonai, Magen
Av’raham!” [Geprezen zijt Gij, Eeuwige, Schild van Av’raham!]. De Eeuwige beloofde Av’ram daarnaast
in vers 15 dat hij in gezegende ouderdom begraven zal worden. De Tora
getuigt dat Av’raham op de Eeuwige vertrouwde en dat deze
hem dit toe rekende als een rechtvaardige daad. (ty>arb B’reshit [Genesis] 15:6). De Schrift zegt ook
in 2 Kronieken 20:7 en Jesaja 41:8 dat Av’raham een “vriend van G’d” was, een man aan wie de
Eeuwige zelf is verschenen om hem persoonlijk bescherming en een lang leven
zonder angst voor kwaad te beloven. In ty>arb B’reshit [Genesis] 12:1-3 wordt beschreven
hoe Av’ram geroepen werd om zijn eigen geboorteland te verlaten en naar
een vreemd land te gaan, het land K’na’an. Hij verliet Charan op
G’ds bevel, totaal uit geloof. G’d gaf hem een duidelijke belofte mee: “Ik zal u
tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij
zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen
wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle
geslachten des aardbodems gezegend worden.” Kan het nog duidelijker? Wat hoefde
hij nog te vrezen op zijn tocht als G’d zelf met hem meeging en hem Zijn persoonlijke
bescherming en hulp aanbood? Maar evengoed ging Av’ram daarbij
behoorlijk de fout in omdat hij blijkbaar toch niet helemaal op G’d vertrouwde
maar het zekere voor het onzekere te nemen door waar ze ook kwamen te
verzwijgen dat hij Sara’s echtgenoot was omdat hij ondanks alle beloften toch nog
vreesde om zijn leven. Had Av’ram dan alle beloftes van G’d
vergeten? Waarom besefte hij niet dat ze hem helemaal niet konden als de
Eeuwige hem de toezegging gegeven had dat hij zou leven tot een rijpe, oude dag?
G’d beloofde immers zijn schild, zijn bescherming te zijn! Av’ram is weliswaar
in gehoorzaamheid aan G’ds opdracht naar K’na’an
gegaan en dat was uiteraard een daad van geloof, want je familie verlaten en naar
een onbekend land te trekken was in die tijd niet zonder gevaar, maar naast
deze geloofsbeslissing nam Av’ram helaas het verkeerde besluit om
toch maar niet op G’d te vertrouwen als men naar Sara zou
vragen. Av’ram, die altijd zo trouw G’ds opdrachten
uitvoert, tot het offeren van Yitz’chaq toe, bleek net als een ieder
van ons toch ook zijn zwakke momenten gehad te hebben. Toch ging G’ds plan voor
Av’raham onverstoord verder. Ondanks alles bleef G’ds verkiezing van
kracht: Av’raham mag dan ook zijn zwaktes gehad hebben
net als wij allemaal, en toch werd hij wel door G’d geroepen evenals als ook
zijn zoon Yitz’chaq die ook op dat punt precies in de
voetstappen van zijn vader trad. Wat mij in alle drie verhalen die we gelezen
hebben bijzonder heeft getroffen is dat de heidenen hierin de gelovigen beschamen.
Samenvattend mogen we daarom dus ook concluderen dat wij niet alleen uit de
houding van Avraham en Sara
alsook Yitz’chaq en Riv’qa geestelijke lessen kunnen
leren, maar ook uit de houding van de Farao en Avimelech, want
in alle drie de gevallen reageerden deze heidense regenten namelijk uiterst
correct. Als gelovigen moeten wij deze drie episodes uit het leven van onze
aartsvaders daarom ook lezen met een plaatsvervangende schaamte. Avimelech was namelijk
een oprecht mens, en de Farao was dat ook in tegenstelling tot Av’raham, die
zich toen echt niet van zijn beste kant liet zien. Zij waren allebei nobele
mannen waar Av’raham absoluut niet bang voor hoefde te zijn
en zeker in het verbond met en onder de persoonlijke bescherming van G’d kon Av’raham
onbevreesd de wereld rondtrekken zonder er automatisch van uit te gaan dat alle
goyim slechte mensen zouden zijn die hem naar het leven staan. We
leven weliswaar helaas in een wereld waar goede en slechte mensen wonen, maar het
is zeer zeker niet zo, dat de goede mensen allemaal gelovig zijn, en de slechte
niet. Tot onze schande moeten we toegeven dat juist de ongelovigen heel vaak
veel aardiger, vriendelijker en gastvrijer zijn dan de gelovigen. Helaas zijn
er ook slechte mensen die zich gelovigen noemen en er zijn goede mensen, die Yeshua jammer
genoeg nog niet kennen. Het is aan ons om daar verandering in te brengen! Dat
is een Mitz’va, een bijbelse opdracht! Sha’ul
[Paulus] heeft weliswaar geschreven dat er niemand goed doet, ook niet één,
en dat klopt ook helemaal, maar dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat alle
mensen daadwerkelijk slecht zijn, want niemand is volmaakt. In de ogen van G’d zijn
we natuurlijk slecht omdat alle mensen in het licht van Zijn heiligheid
schuldig zijn! En toch mogen niet alle mensen één kam geschoren moeten worden,
want gelukkig zijn nog veel rechtvaardige mensen, zowel onder de gelovigen
alsook onder de ongelovigen. De Eeuwige ziet het hart aan, en ik zou zeggen gelukkig
maar voor ons, want ik denk namelijk dat wij allemaal ondanks ons geloof in Yeshua en
van Hem te getuigen, en ondanks al onze pogingen om G’ds wil te doen door
Zijn geboden en inzettingen proberen na te leven toch evengoed nog maar al te vaak
door de mand vallen en Hem keer op keer teleurstellen. Daarom vind ik de reeds
eerder geciteerde tekst, die zo toepasselijk was in de situatie van onze
aartsvaders ook voor een ieder van ons zo een geweldige bemoediging en daarom
wil ik deze bijbelstudie afsluiten met deze prachtige woorden: “Als wij Hem ontrouw zijn, blijft Hij ons
trouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet!” (2 Timotheus 2:13). Amen!
Werner Stauder